Beloken Pasen: Christ lag in Todesbanden (BWV 4)

In plaats van de viering die gepland stond rond cantate BWV 4 (Christ lag in Todesbanden) bieden wij u hier een inleiding op “de wereld van deze Bach-cantate”, uitlopend op een toelichting op de cantate (tekst en muziek). Zoals tijdens een echte viering kunt u na afloop genieten van een orgelimprovisatie door Emmanuel Van Kerckhoven op dit Paaslied, gespeeld op het barokorgel in de kerk (opname 18 april 2020).

Leeswijzer: Niet iedereen is naar hetzelfde op zoek als hij of zij naar Bach luistert (c.q. naar de Bach-cantatediensten komt). Om daaraan tegemoet te komen, bieden we deze zondag een keuzemenu aan.
Bent u vooral geïnteresseerd in de muziek, dan zijn sectie 2 en zeker sectie 5 iets voor u.
Historische achtergrond bij de cantate (wanneer en hoe) vindt u in sectie 1.
Wilt u de cantatetekst eens van dichterbij bekijken, dan kunt u in sectie 3 en 4 uw hart ophalen
Sectie 5 bevat een inhoudelijke bespreking van de hele cantate per onderdeel met muziekvoorbeelden (zowel beeld als geluid).
Kortom: voor elk wat wils: Laat het u smaken !

Prelude

Première in Mühlhausen (1707)

Op 22 jarige leeftijd solliciteerde Johann Sebastian Bach, op dat moment nog ongehuwd en organist in Arnstadt, op een vacature van organist/kerkmusicus in Mühlhausen. Van de sollicitanten werd tijdens de auditie ook een proefstuk verwacht op het terrein van de liturgische muziek. Een cantate zouden wij dat nu noemen; toen heette dat de ‘Hauptmusik’ of Figuralmusik’ of gewoon ‘Motet’. De liturgische bestemming: Paaszondag, 24 april 1707. Naar alle waarschijnlijkheid (maar het is niet bewezen) is de cantate van vandaag: BWV 4: Christ lag in Todesbanden het visitekaartje dat Bach toen heeft afgegeven. En met succes : Bach krijgt de job. Kort daarop trouwt hij met Maria Barbara (een achternicht) die hij in Arnstadt ongetwijfeld beter had leren kennen, omdat zij daar inwoonde bij haar peter, één van de burgemeesters van de stad. De relatie met het stadsbestuur van Mühlhausen is bijzonder goed. Zij laten de cantate die hij in 1708 componeerde voor de herbevestiging van de stadsraad: Gott ist mein König op hun kosten uitgeven, een bijzondere eer voor de nog jonge en onbekende componist. Het lijkt erop dat Bach zich hier zal gaan settelen, maar schijn bedriegt: in oktober 1708 verhuist hij naar het hof van Weimar…

Reprises in Leipzig (1724 en 1725)

Als Bach, 17 jaar later (1724) in Leipzig voor de eerste keer de hoofdmuziek voor Pasen moet verzorgen (hij is daar als cantor/muziekdirecteur aangesteld), dan moet hij er meteen twee afleveren. Eentje voor de vroegmis en één voor de hoofdmis. Voor de vroegmis (ècht vroeg: bij zonsopgang) programmeert hij zijn koraalcantate uit Mühlhausen: Christ lag in Todesbanden. En in 1725 doet hij dat opnieuw. Dat mag toch wel opmerkelijk heten, want de cantate viel wel een beetje uit de toon in de cantatecycli die hij voor de andere zondagen componeerde. Ze was zowel qua concept als qua muziekstijl ouderwets. BWV 4 heeft geen recitatieven, geen aria’s, geen vrij gedichte teksten, geen instrumentale ritornellos. Het is een Koraalvariatie per omnes versus, met een korte sinfonia als inleiding… , zoals de generatie voor Bach er zovele heeft nagelaten (U kunt het horen bij Scheidt, Schein, Pachelbel, Kuhnau, Buxtehude etc..). Vier zangstemmen, enkele strijkers en een continuo. Dat Bach aan de bezetting in 1725 nog een Posaunenchor toevoegde (3 trombones en een cornet) verandert daar weinig aan. Het geeft het geheel zelfs eerder een nog archaïscher kleur. Ze hebben ook geen eigen partij, ze verdubbelen enkel de zangstemmen. Waarom deed Bach dat? Sommigen geven daar een romantische verklaring voor: Bach zou een zwak hebben gehad voor z’n eersteling (want dat zal het ongeveer geweest zijn), maar er zijn ook pragmatischere verklaringen mogelijk. Bijvoorbeeld: De Paastijd was hard werken voor Bach en zijn musici (inclusief de jongens van de Thomasschool). Op Goede Vrijdag 1724 had hij voor het eerst de Johannespassie uitgevoerd, geen kleinigheid (ook logistiek en fysiek) en dan moest hij op 2 dagen later, op Pasen, niet één, maar twee missen van muziek voorzien. Logisch dat hij dan teruggrijpt op reeds bestaand werk: uitvoerbaar met een kleine bezetting: 4 zangers, 4 strijkers en continuo. That’s it. En dat hij dat in 1725 opnieuw deed, is helemaal niet vreemd, want toen had hij naast een tweede verbeterde versie van de Johannespassie op Goede Vrijdag ook nog een eerste versie van het Paasoratorium voor de hoofdmis van Pasen op de kerkelijk-muzikale agenda gezet.

Dit gezegd zijnde: Natuurlijk is BWV 4 wel degelijk het werk van jonge ‘oude meester’. Elke variatie is anders, en de muziek volgt in haar epressie heel nauwkeurig zowel de sfeer van de tekst. Als u bij het luisteren gewoon de tekst volgt, dan zult u dit zelf – keer op keer – opmerken. Ik zal bij de bespreking van de cantate hiervan een aantal voorbeelden laten zien, en horen. (zie sectie 5).
Als u geïnteresseerd bent in wat Bach muzikaal-compositorisch precies allemaal doet, dan verwijs ik u graag naar de uitnemende bespreking door Eduard van Hengel op zijn prachtige  Bachwebsite. U vindt daar ook links naar uitvoeringen die online te beluisteren zijn. Ik beperk mij hier tot een meditatieve muzikaal historische bezinning op Luthers Paaslied en Bachs cantate.


Het Paaslied

Christ lag in Todesbanden is een paaslied dat Luther in zijn eerste bundel gezangen van 1524 reeds publiceerde. En net als veel van zijn andere liederen is het geen originele schepping, maar een bewerking van traditioneel liedgoed, dat door de loop der eeuwen was beproefd en goed bevonden. Met dit lied bewerkt (en vernieuwt) Luther de tekst en de melodie van de elfde-eeuwse Paas-sequens Victimae Paschali laudes. (daarover later meer) En als Bach in zijn cantate alle 7 coupletten van dit lied van muziek voorziet, dan is steeds de melodie volledig aanwezig. Onder de afbeelding van de eerste druk van dit lied, vindt u een vierstemmige uitvoering van het eerste couplet.

Erfurter Enchiridion oder Handbüchlein (1524).

Victimae Paschali laudes

Het lied hebt u al gehoord. Zowel inhoudelijk als melodisch is er verwantschap met het begin van de Gregoriaanse Paassequens Victimae Paschale laudes. In het muziekfragment hieronder hoort u het begin van die sequens en de eerste twee regels van lied. U hoort en ziet de melodische verwantschap… Oh ja: Een sequens is een soort ritmisch proza dat op de grote feestdagen gezongen werd na afloop van het Alleluia (of in plaats van het laatste Alleluia), d.w.z. als een feestelijke jubelende overgang naar de evangelielezing van de zondag. Een populair gebruik in de kerk vanaf de 9de eeuw. Er zijn er duizenden geschreven. Gaandeweg werden ze steeds mooier en langer (echte gedichten bijv Mundi renovatio van Adam van St. Victor of Stabat mater, toegeschreven aan Jacopone da Todi), tot het concilie van Trente in haar uniformeringsdrift en controledrang deze praktijk (wildgroei noemde ze het) verbood. Slechts vier sequensen werden behouden in het Romeinse missaal, waaronder deze (van de hand van Wypo van Bourgondië).

Victimae paschali laudes
immolent christiani.
Agnus redemit oves
Christus innocens Patri reconciliavit peccatores.
Aan het offerdier van Pasen, moet gij lof
offeren, christenen.
Het lam heeft de schapen verlost,
Christus, onschuldig, heeft zondaars met de vader verzoend.
Mors et vita duello conflixere mirando
dux vitae mortuus regnat vivus.
Dood en leven raakten verwikkeld in een wonderlijk tweegevecht:
De gestorven vorst des levens, heerst levend.
begin van de Paassequens.
‘Victimae Paschali laudes’ gevolgd door de eerste regels van ‘Christ lag in Todesbanden

Christ lag in Todesbanden

“Waarom zo’n oud en achterhaald lied nog zingen? Dat spreekt de mensen vandaag toch helemaal niet meer aan.”
“Bachs muziek is mooi, jammer dat je die vreselijke teksten erbij moet nemen…”

Inderdaad: de tekst van veel cantates en koralen komt gedateerd over. En in dit Paaslied klinkt het zelfs af en toe primitief. Bij de cantate komt elk vers kort aan bod. [de volledige tekst met vertaling vindt u hier]. Het gaat over Christus als Paaslam die met de duivel in een strijd op leven en dood gewikkeld is omdat de mens door de zonde in diens macht is geraakt (vers 2 t/m 4). Die redding vindt dan plaats doordat Christus als Paaslam aan het kruis wordt geslacht. Het bloed van dat lam – dat aan onze deur wordt gesmeerd ! – jaagt de dood weg (vers 5). Waarna het lied ons oproept om het ware paasfeest te vieren met het echte Paasbroden/koeken (letterlijk = PaasvlaaienOsterfladen) waar dan geen oud, maar nieuw zuurdeeg inzit (vers 6 en7), om te eindigen met een verwijzing naar de eucharistie (vers 7). Wat moeten we daar toch mee? Zo’n rariteit. Zouden we het niet beter klasseren bij al die andere antieke spullen, die we van onze voorouders hebben geërfd? Mooi, maar niet bruikbaar, niet meer bij de tijd…
U vermoedt het al : ik pleit daar niet voor. Er is namelijk meer aan de hand in dit lied dan we denken en onder die krasse beelden gaat een geloofswereld schuil waar we ook vandaag misschien nog wel een boodschap aan zouden kunnen hebben. En zelfs los daarvan: De tekst verdient in elk geval ons respect, want ze is het resultaat van een eeuwenlange poging van de kerk om de bijbel in al z’n gelaagdheid te lezen en er zin aan te geven, betekenis uit af te leiden. In Luthers lied komt eigenlijk samen wat men bij die lang volgehouden lezing vernomen heeft. Hij was – zoals gezegd – in dit lied geen origineel dichter, maar een compilator (hij ‘brengt samen’) van de kerkelijke traditie van eeuwen.
Om dat te verstaan, moet je durven tijdreizen, terug in de tijd, héél ver terug in de tijd. Ik neem u dus mee naar de oergebeurtenis in de geschiedenis van de Joden: de uittocht uit Egypte (hun ‘paasfeest’, Pesach) om dan in drie etappes weer te arriveren waarvandaan we vertrokken. Hebt u daar geen zin in, dan kunt u ook verder springen naar de bespreking van de tekst van de cantate (klik op deze link en u bent er), maar dat is wel minder uitdagend en leerrijk:

We shall not cease from exploration
and the end of all our exploring

will be to arrive where we started
and know the place for the first time.

T.S. Eliot, Little Gidding (Four Quartets]

Het Paaslam : een tijdreis

Het Joodse Paasfeest (Pesach, het Paaslam en Sederavond)

U kent het verhaal ongetwijfeld. Negen plagen/slagen hebben de farao niet klein gekregen. Dan komt die vreselijke tiende plaag, een aanslag op het leven zelf : alle eerstgeborenen van het mannelijk geslacht moeten sterven. Een gruwelijk verhaal, het wordt vol huiver verteld in het bijbelboek over de ‘Uittocht’ (Exodus 12). De engel des doods, de verderver (Luther: Der Erwürger (vers 5) waart rond in Egypte, Magere hein maait met z’n zeis genadeloos het jonge leven af. Onderwijl bereiden de Hebreeuwse slaven zich in hun lemen hutten voor op de uittocht. Ze bakken koeken voor onderweg: ongezuurde broden (zonder gist) en ze slachten een lam. Dat is samen met het brood en de bittere kruiden tot op de dag van vandaag de kern van de Joodse Paasmaaltijd. Onderwijl wordt het verhaal verteld hoe het bloed van het lam op de deurposten wordt aangebracht om de verderver buiten de deur te houden. [Een apotropeïsch ritueel noemen godsdiensthistorici dat: kwaad-afwerend, bezwerend]. Staande eten ze, haastig, want men mag weg uit het Angstland der onderdrukking, de vrijheid, het leven tegemoet: Seideravond, Pesach. Oh ja, alles wat hierboven vetgedrukt is, komt terug in Luthers paaslied (en dus in Bachs cantate)

Jezus en het Pesachfeest (het ‘laatste Avondmaal’)

De hierboven geschetste liturgie werd in familiaal verband gevierd. En bij ontstentenis van familie kun je het ook doen met je vrienden. Dat is wat Jezus deed, de avond voordat hij gearresteerd werd: Dit Pesachmaal was zijn laatste Avondmaal. En doordat zijn volgelingen ook na zijn dood bleven samenkomen om te eten en tijdens de maaltijd (bij het breken van het brood, en het drinken van de wijn) aan Hem terugdachten, begon men gaandeweg steeds meer betekenisvolle verbanden te zien/leggen. De elementen van de maaltijd kregen zo een betekenis die ver uitging boven wat er tijdens die concrete Pesachmaaltijd is gedaan. Met name de hoofdelementen van de maaltijd, brood en wijn, gingen verwijzen naar de dood van Jezus: die dood kreeg de betekenis van een levensgave voor anderen (vandaar de verwijzing naar de eucharistie aan het eind van Luthers Paaslied).

Jezus als het Paaslam (het ‘Lam Gods’)

Maar nog dramatischer was eigenlijk die andere symboliek: dat lam dat op Pesach geslacht werd en dat met zijn bloed het verderf, waaraan de mens is prijsgegeven opvangt en wegdraagt (Agnus dei…) Met dat lam werd Jezus – achteraf – ook vereenzelvigd (volgens het principe van de typologische schriftuitleg). De evangelist Johannes doet dat nog tamelijk subtiel: Hij laat Johannes de Doper meteen aan het begin van het evangelie Jezus aanduiden als ‘het lam Gods dat de zonde der wereld wegneemt‘. En in zijn versie van het lijdensverhaal ordent hij het tijdsverloop zo dat Jezus sterft aan het kruis, exact op het uur dat in de tempel het Paaslam werd geslacht. U hebt ‘m al wel door, vermoed ik.

Het lam Gods aan de voet van het kruis, waar het lam Gods hangt (Isenheimer Altaar, Matthias Grünewald)

Het is de apostel Paulus die echter de kroon op het interpretatieve werk zet: Hij trekt de lijnen door en maakt de cirkel rond. Aan de christenen van Korinthe (hoofdstuk5, 6-8) schrijft hij onder verwijzing naar de ongezuurde Pesachbroden en het Pesachlam:

Weet gij niet, dat een weinig zuurdeeg geheel het deeg verzuurt? Doet het oude zuurdeeg weg, opdat gij vers deeg (Luther: Süssteig) worden moogt; Gij zijt immers ongezuurd. Want ook ons Pascha (Pesachlam) is geslacht: en dat is Christus. Laat ons dus feest vieren, niet met het oude zuurdeeg, noch met het zuurdeeg van slechtheid en boosheid, maar met de ongezuurde broden van reinheid en waarheid.

Het christelijke Paasfeest (liturgie voor de hoogdag van Pasen)

Tijd voor de laatste, derde etappe in onze tijdreis: in de liturgie voor de viering van het Paasfeest (de Hoogmis van Paasmorgen) komen al deze elementen samen. Het halleluja-vers laat daar geen misverstand over gaan. Waar gaat het om op het Paafeest ? Het antwoord is: Pascha nostrum immolatus est Christus: Ons Paaslam is geslacht, Christus, de lapidaire zin van de apostel Paulus waarmee hij het Joodse Pesach annexeert – ik zeg het zoals dat het is – door het te duiden als een voorloper (anti-type) van het christelijke Paasfeest. Dat hij is opgestaan is natuurlijk ook relevant, maar daarbij wil het feest niet blijven staan… Het gaat erom wat dat ‘voor ons’ betekent.

Alleluia – Vers – Sequens [afbeeelding uit R.K. Zangboek Mis en Vespers, Doornik 1949)

En als je dan verder kijkt, dan ontdek je al snel dat de hele Paasmis is opgebouwd rond deze typologie. Naast het Paaslam keren ook de ongezuurde broden terug (de matzes). De epistellezing van de Paaszondag is namelijk 1 Korinthe 5: 7-8: Over het Paaslam dat geslacht is, en dat wij het ‘oude zuurdeeg’ nu moeten wegdoen, en als nieuw moeten gaan leven. Maar dat is nog niet alles. Na het Halleluja-vers volgt immers de Paassequens: Victimae Paschali laudes: Laten wij, christenen lof offeren aan het Paaslam dat geofferd is. Het werkwoord ‘offeren (immolare) verbindt beide tekstdelen. En in uiterste betekenisdichtheid volgt dan bijna meteen de mededeling dat dit lam de schapen met God verzoent. En dan volgt die beroemde passage over de ‘wonderlijke strijd tussen leven en dood’, waarin Christus als overwinnaar tevoorschijn komt, omdat hij… sterft. Deze paradox is de inhoud van het centrale vers (couplet 4) van Luthers Paaslied: ‘Es war ein wunderbarer Krieg’. Daarover meer bij de bespreking van de cantate. En als klap op de vuurpijl: Wat wordt er gezongen als communielied ? Opnieuw de zinsdelen uit de epistellezing (1 Korinthe 5:7-8) over ons Paaslam dat geslacht is en dat wij als ongedesemd brood moet zijn: rein en zuiver (heel toepasselijk nu bij de uitdeling van brood en wijn).

En mooi dat die gregoriaanse zangen waren ! Gelovigen, geestelijken en leken, die van muziek hielden, konden niet genoeg krijgen van de muziek van de Paasmis. Vooral de onbeschrijflijke sierlijkheid van het het Alleluia-vers, overtreft op dit punt alles. Wat maar logisch is, want het Paasfeest is het hoogfeest der hoogfeesten. Hier een ‘voorbeeldige uitvoering’ van het Paashallelujah met verset (De rode kriebels boven de noten zijn de oudste overgeleverde muzieknoten (neumen), gevolgd door de Sequens Victimae Paschali laudes:


Luthers Paaslied en Bachs cantate

Het is duidelijk waar Luther de mosterd vandaan haalde. Hij had z’n leven lang al genoten van de Paasvieringen. Hij had als knaap al ijverig meegezongen als in de Duitse paasvieringen na de sequens Victimae paschali laudes het volk in de kerk de Hallelujas overnam door het lied Christ ist erstanden (een ‘leis’) te zingen. Als Augustijner monnik had hij vol ijver de Alleluia’s en versetten gebeden/gezongen. En zingen kon hij ! Het hoeft dan ook niet te verbazen dat op het moment dat hij de zich hervormende misliturgie wil voorzien van nieuwe Duitse liederen, dat hij voor Pasen z’n inspiratie zoekt in de Paasliturgie. Hij kende die Gregoriaanse liturgie (melodieën en teksten) van binnen en van buiten (uit het hoofd en by heart). Als hij zich aan het schrijven (en zingen) zet, dan stroomt het Paaslied van vandaag er bijna vanzelf uit: De inhoud en de zangwijze. Het is gewoon een zeer kernachtige en in krachtige taal gegoten samenvatting van de hele Paasliturgie, met als belangrijk verschil: het is niet alleen een vorm van participeren in de liturgie, maar de inhoud ervan wordt ook uitgelegd en verkondigd. In 1524 publiceert hij het lied, en in datzelfde jaar voorziet de cantor van Torgau en Wittenberg, Johann Walter, het al van een 4 stemmige polyfone zetting. Hij heeft enkel de melodie nog wat gestroomlijnd.
Een nieuw Paaslied was het, maar tegelijk vatte het dus samen wat de gelovigen al eeuwen vertrouwd was. De melodie herkennen ze meteen (ah, dat is Victimae..) en de tekst expliciteert de inhoud van de liturgie in beeldende taal. Voor ons moeilijk en vreemd, maar voor de kerkgangers van toen ‘gefundenes Fressen’. En typisch voor Luther: Schrille contrasten, tegenstellingen en plastische taal. Bij de bespreking van de cantate (hieronder) zal ik enkele elementen ervan kort duiden. Het resultaat: Net als Nun komm der heiden Heiland bij Kerst is gaan horen, Komm Gott Schöpfer, Heiliger Geist bij Pinksteren, zo is Christ lag in Todesbanden het Lutherse Paaslied nr. 1 geworden en gebleven, zij het dat laatste enkel in theorie: het staat nog in de gezangboeken maar wordt weinig gezongen, want… te ‘altmodisch’ qua tekst en niet vrolijk genoeg qua melodie: de cirkel is rond. Tijd voor de cantate.


De Paascantate Christ lag in Todesbanden (BWV 4)

In de cantate zet Bach alle 7 verzen van Luthers Paaslied op muziek: een koraalvariatie per omnes versus noemde men dat. De motieven uit Victimae Paschali Laudes herkent u m.n. in vers 4. Het Halleluja-vers Pascha nostrum immolatus est Christus bepaalt vers 5, en de context hiervan (ongedesemde brood etc) vers 7. Ook de ‘Leis’ Christ ist erstanden die in Duitsland zo goed als een vast onderdeel van de Paassequens was, is onmiskenbaar. De cantate is strak symmetrisch opgebouwd. Het vierde vers is het hart, het keerpunt in het verhaal dat dit lied vertelt.

KOOR: Vers 1— Christus opstanding bevrijdt de mens
— DUET: Vers 2— … uit de macht van duivel en dood
—-SOLO: Vers 3— … doordat Christus mens werd en namens (en voor) ons
——KOOR: Vers 4— … de strijd met dood is aangegaan. Hij won door uit liefde voor ons te sterven.
—-SOLO: Vers 5— Hij is het ware Paaslam, dat ons bevrijdt.
–DUET: Vers 6— Laten we daarom feestvieren en wandelen in het licht:
KOOR: Vers 7— Weg met het oude! Laten we nieuwe spijs eten: Christus.

Het lied was al oud in de tijd van Bach (2 eeuwen scheiden Luther en Bach) maar niet passé. Het was een ‘klassieker’. De melodie (dorisch) was aangepast aan de smaak van de tijd (e-mineur), d.w.z. het begint niet meer met een hele toonafstand (secunde) naar beneden, maar met een halve dalende secunde. Dat biedt expressieve mogelijkheden, die Bach optimaal benut in de manier waarop hij de melodie als cantus firmus inzet.

[nr. 1] Sinfonia

In de Sinfonia kunt u het al horen, sterker nog. Bach zet de toon ermee. Pasen is wel een vrolijk feest (en de halleluja’s zullen nog over elkaar buitelen), maar het ontspringt diep, d.w.z. in de diepte van de dood: Christ lag in Todesbanden…. De kracht van de melodie is dat ze na deze afdaling begint te stijgen. Een tegenstelling die de componist niet kon laten liggen. Hij citeert de melodie (zonder tekst). Luister maar:

Bach Collegium Japan (olv Masaaki Suzuki)

[nr. 2] Versus 1: Christ lag in Todesbanden – koor

De sinfonia was eerder een intonatie dan een zelfstandig muziekstuk (geheel in de 17de eeuwse stijl). Vers 1 zet meteen aansluitend in met een koraalbewerking waarbij de sopraan de melodie zingt (lange noten) en de overige stemmen allerlei begeleidende figuren spelen. Christ lag in Todesbanden (op Pasen is dat verleden tijd). Dus dat moet verkondigd (eerste deel) en gevierd worden (tweede deel). Het lied eindigt niet voor niets met de oproep om ‘halleluja te zingen‘. Bach heeft dat goed begrepen en gooit zich er dan ook vol in: De muziek wordt up tempo (alla breve) en de stemmen buitelen over elkaar om vrolijk en bevrijd maar liefst 27x halleluja te roepen.

Ensemble Orlando Fribourg (olv Laurent Gendre)
Christ lag in Todes Banden
für unsre Sünd gegeben.
Er ist wieder erstanden
Und hat uns bracht das Leben.
Des wir sollen fröhlich sein,
Gott loben und ihm dankbar sein
Und singen: Halleluja!
Halleluja!
1 Christus lag in de dood gebonden,
Hij gaf zich voor onze zonde.
Hij is verrezen, de Heer,
en schenkt aan ons het leven weer.
Laten wij dus vrolijk zijn,
God loven en hem dankbaar zijn
en zingen : halleluja.
Halleluja !

[nr. 3] Versus 2: Den Tod niemand zwingen kann – duet sopraan en alt

Na deze geweldige explosie van levensvreugde, moet de gelovige toch even gas terugnemen. Het lied van Luther bepaalt ons bij de achtergrond van Pasen. De mens is door z’n bijna systemische wangedrag in de greep van de macht van het kwaad beland. En hij geraakt daar op eigen kracht niet meer uit. De inhoud van deze strofe grijpt duidelijk terug op de gedachtengang van Paulus in de Brief aan de Romeinen (hoofdstuk 5,12-21), waar ‘de mens’ (Hebreeuws: ha-Adam) wordt beschreven als hulpeloos overgeleverd aan de dood. Er is geen ontkomen aan. Alle mensen delen in de Adams val, want ze zijn allemaal kinderen van Adam : Durch Adams Fall ist ganz verderbt. Alle Menschen müssen sterben… Snapt u meteen ook waarom op het lam Gods in Gent Adam en Eva aanwezig zijn. Bach grijpt deze stand van zaken aan om een klaaglijk duet te schrijven. Alt en Sopraan zingen boven een ostinato motief de tekst en de melodie. Het Seufzer motief (de dalende kleine secunde) is dominant. En daarbij is er koppig volgehouden motief van de continuo. Het muziekfragment hieronder laat dit horen. De mens zit echt vast.
Meer dan een broken Hallelujah… krijgt hij er niet uit aan het eind.

Le Banquet Céleste (olv Damien Guillon)
Den Tod niemand zwingen kunnt
bei allen Menschenkinder.
Das macht alles unsre Sünd,
Kein Unschuld war zu finden.
Davon kam der Tod so bald
Und nahm über uns Gewalt,
Hielt uns in seinem Reich gefangen.
Halleluja!
2 Niemand kan op tegen de dood,
geen enkel mens op aarde;
Dat komt omdat door onze zonde
de onschuld is verdwenen.
Zo kwam de dood al snel aan zet
en heeft ons onderworpen,
hield ons onder zijn bewind gevangen.
Halleluja! (Kyrieleis)

[nr .4] Versus 3: Jesus Christus, Gottes Sohn ist kommen – solo tenor

De tenor is de evangelist die in dit zeer levendige trio voor violen, tenor en continuo de luisteraar in herinnering mag brengen hoe de ‘tweede Adam’ (Christus) is gekomen om de gevangen mens te bevrijden uit de ban van het kwaad en de macht van de dood. Het lot van de mens (de ‘kinderen van Adam) wordt gekeerd. Het dramatische moment, waar de dood wordt onttroond uit z’n machts- en rechtspositie wordt verdreven (sein Recht und sein Gewalt (gezag)) wordt ook muzikaal uitgebeeld… De zin ‘nu rest de dood niets dan zijn uiterlijke gestalte’ (d.w.z. zijn vorm, een lege huls) heeft voor de luisteraar een verrassing in petto. Ik laat die nu niet horen, maar enkel zien in de partituur. Veelzeggend is dat het fundament onder ‘de dood’ is weggeslagen.

Jesus Christus, Gottes Sohn,
an unser Statt ist kommen
und hat die Sünde weggetan,
damit dem Tod genommen
all sein Recht und sein Gewalt;
Da bleibet nichts denn Tods Gestalt;
Den Stachl hat er verloren.
Halleluja!
3 Jezus Christus, de Zoon van God,
is op onze plaats gaan staan
en heeft de zonde weggedaan.
Zo heeft hij van de dood
de rechtsmacht afgenomen.
Hem rest enkel uiterlijk vertoon:
De angel is eruit.
Halleluja!

[nr 5.] Versus 4: Es war ein wunderlicher Krieg – koor

Het hart van de cantate. Een klassiek motet met vierstemmig koor en continuo. De andere instrumenten zwijgen. De alt verzorgt deze keer de cantus firmus. Bach kiest er voor om de strijd niet theatraal uit te beelden (zo bijv. in de gelijknamige koraalcantate van Pachelbel, waar een echte batagglia te horen is), maar te verweven in het polyfone vlechtwerk van de drie andere stemmen. Die imiteren elkaar voortdurend in anticipatie van de melodielijn die eraan komt. Het geheel maakt de indruk van een gevecht, duw- en trekwerk. Eén moment valt echter – juist daardoor – bijzonder op. Dat is bij de zin ‘wie ein Tod den andern fraß‘. De stemmen (de strijdende partijen) zitten elkaar plots wel heel dicht op de huid zitten: een canon op de kortste mogelijke afstand: één tel. Ze vreten elkaar op... Op de achtergrond van deze gewaagde metafoor staat de tekst van Victimae Paschali Laudes. Daar komt de ‘wunderlicher Krieg’ vandaan.

Mors et vita duello
conflixere mirando:
dux vitae mortuus,
regnat vivus.
Dood en leven zijn verwikkeld
in een wonderlijk tweegevecht:
De vorst des levens, gedood,
heerst levend.

Maar de sequens-auteur (Wipo van Bourgondië, 11de eeuw) heeft dit natuurlijk ook niet zelf bedacht. Achter deze cryptische zinnen staat het woord van – opnieuw – de apostel Paulus, die in de brief aan de Korinthiërs uitgebreid komt te spreken over de betekenis van de verrijzenis (hoofdstuk 15). Na 50 verzen daaraan te hebben gewijd, stelt hij vast dat het een geheimenis is en blijft, en dan roept hij uit vers 54-55): “Maar wanneer dit vergankelijke lichaam is bekleed met het onvergankelijke, dit sterfelijke met het onsterfelijke, dan zal wat geschreven staat in vervulling gaan:
De dood is verzwolgen in de overwinning
Dood, waar is je overwinning?
Dood, waar is je angel?’

Paulus verwijst hier op zijn beurt naar een spreuk van de profeet Hosea (hoofdstuk 13,14) ). Als Luther dit lied schrijft, dan heeft hij naast het vers uit de Paassequens ook de veel krassere vertaling uit de Latijnse bijbel (Vulgata) van dit bijbelvers uit Hosea in z’n hoofd: Ero mors tua, o mors! Morsus tuus ero, inferne! (parafraserend vertaald: Ik zal jouw dood zijn, dood! Ik zal jou de doodsteek toebrengen, hel ! Voilà de dood is dood. Hij dicht: de ene dood d.w.z. : de dood van de ene (Christus) heeft het einde betekent van de macht van de dood. En, als die angel er dan uit is – en dat probeert het geloof toch voor waar te houden – dan mag er ook met de dood ‘gelachen worden’. Reeds kerkvaders als Augustinus en Chrysostomos konden over de opstanding van Christus spreken als een soort ‘practical joke’ die God heeft uitgehaald om de duivel te kijk te zetten. En in Duitsland is het lang gewoonte geweest (tussen de 14de en 19de eeuw) dat de priester de Paasmis begon met een grap of een amusant verhaal, met de bedoeling om de mensen aan het lachen te krijgen. Het heeft zelfs een naam gekregen: de Paaslach: de Risus paschalis. De dood is ein Spott worden (tot een voorwerp van spot geworden), schrijft Luther. En Bach kan het natuurlijk niet laten om ook dat ‘in de muziek niet alleen te laten horen’, maar gewoon te doen: de ‘dood uitlachen’. Relativerende humor hoort ook bij het Paasgeloof.

Le Banquet Céleste (olv Damien Guillon)
Es war ein wunderlicher Krieg,
da Tod und Leben rungen.
Das Leben behielt den Sieg;
es hat den Tod verschlungen.
Die Schrift hat verkündigt das,
wie ein Tod den andern fraß,
ein Spott aus dem Tod ist worden.
Halleluja!
4 Het was een wonderlijk gevecht,
toen dood en leven worstelden.
Het leven behield de overhand
en heeft de dood verslonden.
De Schrift verkondigt dat
– sinds de ene dood de ander vrat –
je met de dood de spot mag drijven.
Halleluja!

[nr. 6] Versus 5: Hier ist das rechte Osterlamm – solo bas

Ingebed in de warme klank van het strijkersensemble mediteert de bas over het geheim van Pasen. Zoals boven aangegeven voegt de kerk op haar Paasfeest een nieuwe laag toe aan het Joodse Paasfeest. Het Osterlamm (paaslam) dat met Pesach wordt gegeten is volgens de gelovigen door Johannes de Doper reeds geïdentificeerd: het is Christus. De apostel Paulus (epistellezing 1 Korinthe 5: 6-8 expliceert dit; Pascha nostrum immolatus est Christus. Het verset van het Paas-halleluja. NB: het gaat hier niet om een offerlam (dat nadien verbrand werd), maar om een maaltijd. Luther houdt wel van krasse beeldspraak: Hij stelt dat Christus hoch an des Kreuzes Stamm in heißer Lieb gebraten is. Het kruis als braadspit, voorwaar hij durft. U zoekt deze zin trouwens vergeefs in de moderne Duitse gezangboeken. Men heeft die vervangen door in heißer Lieb gegeben… In dit meditatieve, introverte koraalmotet vallen nog wel enkele dingen op. Zo moet de bas een enorme sprong naar beneden maken (Van 12 tonen: duodecime) als het geloof ‘de dood’ afweert met het bloed van het Paaslam. Een echte doodsmak dus. En dan moet hij de volgende noot zeven tellen aanhouden (wie raakt hier niet ‘buiten adem’ van).

En de doodsengel kan als een boa constrictor (der Würger) proberen je te pakken te krijgen, maar het baat niets. Een stralend Halleluja besluit dit fraaie vers.

Hier ist das rechte Osterlamm,
davon Gott hat geboten.
Das ist hoch an des Kreuzes Stamm
in heißer Lieb gebraten.
Das Blut zeichnet unser Tür;
Das hält der Glaub dem Tode für.
Der Würger kann uns nicht mehr schaden.
Halleluja!
5 Hier is het ware paaslam,
zoals God het heeft bevolen.
Het is hoog aan de stam van het kruis,
met vurige liefde gebraden.
Zijn bloed markeert nu onze deur
Daarmee bezweert het geloof de dood.
De verderver kan ons niet meer schaden.
Halleluja!

[nr 7.] Versus 6: So feiern wir das hohe Fest – duet sopraan en tenor

Vanaf hier gaat het lied (en de cantate) vol in feestmodus. Een gepunteerd ritme laat de zangers dansen, en elke melodieregel eindigt in vrolijke triolen. Niet alleen de Heer is opgestaan, ook wij worden opgeroepen, verleid, om op te staan en ‘op een nieuwe manier door het leven te gaan’. De epistellezing, die in het communielied herhaald wordt, gaat opnieuw klinken: Laat ons dus feest vieren, niet met het oude zuurdeeg, noch met het zuurdeeg van slechtheid en boosheid, maar met de ongedesemde broden van reinheid en waarheid. In Luthers lied krijgt dat nieuwe leven, de glans de zon mee. De kracht van de melodie die in 1524 ontstond wordt hoorbaar. Daar waar onze ‘harten gaan stralen’ klimt de melodie omhoog en parelend daalt het licht in de harten neer…

So feiern wir das hohe Fest
Mit Herzensfreud und Wonne,
Das uns der Herr erscheinen läßt;
Er ist selber die Sonne,
Der durch seiner Gnaden Glanz
Erleuchtet unsre Herzen ganz;
Der Sünden Nacht ist verschwunden.
Halleluja!
6 Laat ons dan vieren ’t hoge feest
verheugd van hart en blij van geest:
Het is de Heer die ons dit geeft.
Hij is het licht, hij is de zon,
Die met de glans van zijn genade
onze harten weer laat stralen:
De nacht der zonde is verdreven.
Halleluja!

[nr. 8] Versus 7: Wir essen und leben wohl – koor

En dan wordt het tijd – bij een fysiek levend mens als Luther kan het niet anders – om de Paasmaaltijd klaar te maken. Enerzijds om lekker te gaan eten, met z’n allen: Paasgebak (broden, koeken). De term ‘Osterfladen’ liegt er niet om: U herkent het woord zelfs: het gaat hier om het speciale zoete gebak (vlaaien) die men met Pasen eet. Wij vergeten vaak dat het Paasfeest ook het moment is dat het vasten werd beëindigd (dé-jeûner). En de maaltijd na de Paasmis moest rijkelijk zijn. Dom Prosper Guéranger vermeldt in zijn standaarwerk over het Liturgisch jaar nog het oude gebruik om niet enkel de Paaseieren te zegenen na afloop van de hoogmis, maar om ook het vlees van het lam dat tijdens het middagmaal op tafel moet komen, te zegenen. Hij citeert zelfs nog een traditioneel gebed voor deze gelegenheid . Luther zou er geen probleem mee hebben. Maar pas op: De spijze die op tafel staat heeft echter wel een symbolische betekenis, en dit op twee manieren: Enerzijds is in de beeldspraak uit 1 Korinthe 5 de christelijke gemeenschap zelf de referentie van het nieuwe brood dat zonder het oude zuurdesem is gebakken (maar met het nieuwe deeg, Christus – Luther schrijft in zijn vertaling ‘Süssteig’ (om de tegenstelling met ‘Sauerteig’ te laten voelen). Wonderlijk beeld, maar niet zin-loos). En daarbij is het woord van de genade, Christus, het gist dat deze nieuwe gemeenschap doortrekt. En zo eindigt dit lied ook weer helemaal in geloofstoon: het voedsel dat een mens echt in leven houdt (als je het in het licht van de eeuwigheid beziet), is het geestelijk voedsel dat Christus ons schenkt, dat Christus ìs. Geniet tot slot van de prachtige zetting van dit koraal, die Bach bij de heropvoering in Leipzig heeft toegevoegd aan zijn ‘jeugdwerk’ uit Mühlhausen.

Montreal Baroque (olv Eric Milnes)
Wir essen und leben wohl
In rechten Osterfladen
Der alte Sauerteig nicht soll
Sein bei dem Wort der Gnaden.
Christus will die Koste sein
Und speisen die Seel allein,
Der Glaub will keins andern leben.
Halleluja!
7 Wij eten nu en leven goed:
In echt Paaskoeken
mag het oude zuurdesem
het genadewoord niet vergallen.
Christus zelf wil immers tot lafenis
en spijs voor onze zielen zijn:
Van iets anders wil het geloof niet leven.
Halleluja!


Uitvoeringen BWV 4 op youtube (selectie)

  • Op de website van Eduard Van Hengel vindt u een quasi complete lijst van online beluisterbare uitvoeringen. De meeste bekende namen zijn aanwezig (Harnoncourt, Gardiner, Koopman). De enige die ontbreekt is Suzuki (jammer). Van de wat minder bekende ensembles, hier een persoonlijke selectie:
    1. De Canadese klavecinist/organist Eric Milnes voerde op 23 juli 2014 in Regensburg met zijn Bande Montréal Baroque de cantate uit volgens het principe van one voice per part (4 zangers) : Het is een live-opname. Het geluid is prima, de camera is statisch.
    2. Le Banquet Céleste o.l.v. Damien Guillon gaven een concert in de 18 juli 2014 in Saintes (Abbaye aux Dames). Ook hier een solistische bezetting. De radio-opname van France Musique is voorzien van een meelopende partituur.
    3. Het koor en orkest van het Ensembe Orlando Fribourg o.l.v. Laurent Gendre voerden BWV 4 uit in Fribourg (Zwitserland) op 3 juli 2016.  Dit gebeurde in het kader van het Festival International de Musiques Sacrées – Fribourg. Een professionele opname, zowel qua beeld als geluid.
    4. Een Nederlandse uitvoering: Musica Amphion en het Gesualdo consort o.l.v. Pieter-Jan Belder, ook hier een solistische bezetting, maar wel met de 4 blazers die Bach er in 1725 aan toevoegde. Opname van 16 juni 2012 in de Lutherse kerk van Den Haag.


Epiloog (Paul Robeson)

De lange reis aan de hand van Bachs muziek en Luthers lied is ten einde. Ze bracht ons terug naar een tijd waarin oude verhalen en rituele teksten nog gezag hadden (misschien gewoon omdat ze realistisch waren en je met de boodschap ‘verder kon’? ). Ik hoop dat middels de taalvaardigheid van Luther en de muzikale kunde van Bach de bemoediging die daarvan uitging, ook vandaag nog overkomt. We kunnen dat wel gebruiken. een beetje tegengif tegen de dood en zijn trawanten…
Daarom wil ik tot slot nog iets met u delen, iets dat mij trof. Ik kwam het per ongeluk tegen, toen ik het web afschuimde op zoek naar een eenvoudige eenstemmige uitvoering van het lied Christ lag in Todesbanden. Ik kon het niet vinden. De Bach-cantate BWV 4 vertroebelde alle zoekresultaten (d.w.z. je vond enkel Bach). Opeens bedacht ik: laat ik het eens zoeken met de Engelse titel, misschien komt er dan ook nog iets anders dan dan de cantate tevoorschijn in de zoekresultaten. En zowaar: Christ lay in death’ dark prison liet ook andere zettingen en uitvoeringen aan het licht komen en tot mijn verrassing stond daartussen een versie van de Paul Robeson (uit 1958 of 1960). Hij zingt met zijn prachtige diepe bas-bariton het eerste en laatste couplet… En het laatste zowaar in het Duits: Wir essen und leben wohl… Beste Bach-liefhebber: het ga u goed.



Sortie: orgelimprovisatie door Emmanuel Van Kerckhoven

Tenslotte: Net als op een gewone zondag in de echte Norbertuskerk, genieten we na afloop van ‘de viering’ van de orgelklanken van het nieuwe Barokorgel, bespeeld door Emmanuel Van Kerckhoven: Een orgelimprovisatie over het lied van deze zondag, gisteren opgenomen in … een lege kerk geheel met geluid gevuld.


tekst: Dick Wursten

Paaswake

ZINGEN TEGEN DE KLIPPEN OP

Als je zelf zorgt voor stilte en ingetogenheid zullen bijgaande teksten en gezangen van zelf beginnen spreken.  Je kan dat doen door zelf zulke sfeer te scheppen. Radio af, TV af.  Een brandende kaars, een witte doek en een bloem op je tafel doen veel, een zeer spaarzame verlichting eveneens.  En maak het enkele minuten heel stil, vooraleer je deze meditatie begint …
En weet dat andere mensen van Sint-Norbertus en daarbuiten op dit eigenste ogenblik van paaszaterdag, om 21.00 uur deze meditatie eveneens doen.   Vanop afstand zijn we verbonden met elkaar, en in die verbondenheid is ook de Verrezene onder ons.


Doodse stilte hangt over de aarde,
gehuld in schemer.
Dreigend voorgeborchte van
een hel waarin – verzonken
wat van het lichaam rest
zijn diepe nood doorbrengt.
Het hart klopt niet meer.
Drie dagen lang
houdt het heelal de adem in.

Dan, in die diepte diepten
wordt het zwoegen hoorbaar
van leven dat zich tegen dood verzet,
maar zo aanvankelijk, zo pril
als ’t ritselen van gras onder de grond
nog voor het door de aarde kiemt.

En langzaam, langzaam
trekken de sluierende nevels weg.
Het lichaam ziet het licht
door de kokon der nog gesloten ogen breken,
de geest vangt tekens op,
de adem keert weer, het hart
herneemt zijn kloppen. Hijgend
verrijst het lichaam uit de grauwe limben.

Ver weg ontwaken hanen met een schor geluid.
Het is de ochtend van de derde dag.

(Pierre H. Dubois)

Lege graf | MJSchuurman

EN DAN IS ER LICHT.

Licht in het duister

Licht van de eerste scheppingsdag
Licht dat de chaos ordent
Licht dat  de dood overwint
Licht van Christus

Paaswake in Sint-Jan de Doperkerk (Beringen) - Het Belang van ...

LIED: Sytze De Vries: Licht, ontloken aan het donker


Ook in de Norbertus…


De nieuwe Paaskaars (foto Emmanuel Van Kerckhoven)

Markus aan het woord (hfdst 16,1-8)

Toen de sabbat voorbij was, kochten Maria Magdalena,
Maria de moeder van Jakobus, en Salome
welriekende kruiden om Hem te gaan balsemen.
Op de eerste dag van de week, heel vroeg,
toen de zon juist op was, gingen zij naar het graf.
Ze zeiden tot elkaar: “Wie zal de steen voor ons van de ingang van het graf wegrollen?”
Opkijkend bemerkten ze echter dat de steen weggerold was;
en deze was zeer groot.
Binnengetreden in het graf zagen ze tot hun ontsteltenis
aan de rechterkant een jongeman zitten in een wit gewaad.
Maar hij sprak tot haar: “Schrikt niet, Gij zoekt Jezus de Nazarener, die gekruisigd is.
Hij is verrezen. Hij is niet hier.
Kijk, dit is de plaats waar men Hem neergelegd had.
Gaat aan zijn leerlingen en aan Petrus zeggen:
Hij gaat u voor naar Galilea; daar zult ge Hem zien, zoals Hij u gezegd heeft.”
De vrouwen gingen naar buiten en vluchtten weg van het graf;
want schrik en ontsteltenis hadden hen overweldigd.
En in hun paniek vertelden ze het aan niemand.

Victimae paschali laudes

Laten de christenen aan het Paaslam huldezangen wijden.
Het Lam heeft nu de schapen vrijgekocht;

en Christus, die zonder zonden was, heeft de zondaars met de Vader weer verzoend.
Dood en leven streden een wondere strijd; de vorst des levens, die gestorven was, heerst nu in onvergankelijkheid.
Zeg ons, Maria, wat hebt gij op uw weg gezien?
Ik zag het graf van de levende Christus en de heerlijkheid van de Verrezene;
zijn engelen zag ik als getuigen en ook de zweetdoek en het grafkleed.
Christus, mijn hoop, is verrezen! Hij zal de zijnen voorgaan naar Galilea.
Nu weten wij, dat Christus uit de doden is verrezen.

Gij, overwinnaar Koning, ontferm u over ons. Amen. Alleluja.

Reflecties

Wat is de eerste reactie van de vrouwen?
Vreugde? Absoluut niet.
Angst en verwarring, een vluchtreactie? Ja, zeker.
Help, het spookt hier.
Het onmogelijke kan niet mogelijk zijn.

De dood: die is steeds prominent aanwezig.
De ondergang, de duisternis.
Armoede. Oorlog, vluchtende mensen.
Een planeet die zijn ondergang tegemoet rent.
Depressie. Kanker. Hartkwalen.
Diepgaande kwetsuren in een kinderziel.
Corona …
Voor de feiten wil het verstand wel zwichten.

Opstanding, verrijzenis: het is geen feit.
Het is zelfbedrog, zegt de ene.
Het kan niet, zegt de andere.
Het moet niet, zegt de derde.
Achterhaald, zegt de volgende …

Maar opstanding, verrijzenis, is een belofte
die je komt toegewaaid.
een aanbod vanuit de oude boeken.
Alles wat poogt om je neer te halen,
alles wat tracht je op te sluiten in ellende
krijgt je niet klein.
Je hart is dan geen grafkuil meer:
de steen is van je hart weggerold.
Je ziet steeds licht.

O ja, de dood is er nog.
Het kan nog duister zijn om ons heen.
En corona domineert.

Maar de angel is eruit.
We staan op
We zingen tegen de klippen op:
er is toekomst,
zelfs als er helemaal geen toekomst meer is.
Pasen is een hart onder de riem.
Is kracht, onverwoestbaar

voor wie leeft in het licht van de hoop de hoop,
elke dag opnieuw.

Geloofsbelijdenis

Ik geloof in God die een Vader is
die al wat is in liefde draagt.
Uit zijn handen ontvang ook ik mijn leven,
elke dag opnieuw.
Ik geloof in Jezus Christus zijn Zoon, geboren uit Maria.
Hij is het gelaat van de Vader op deze aarde.
Hij ging weldoende rond,
maar werd door de zijnen afgewezen.
Dan heeft hij, onschuldig als hij was,
de menselijke schuld op zijn schouders genomen,
en zo stierf hij, ten tijde van Pilatus, op het kruis.
Maar de dood heeft Hem niet overwonnen:
Hij is opgestaan uit de doden,
en Hij leeft verheerlijkt bij zijn Vader.
Ik houd mij aan zijn belofte
dat Hij ooit zal terugkeren in heerlijkheid.
Hij, die mij beter kent dan ik mijzelf ken,
zal mij tonen wie ik werkelijk was,
en Hij zal mijn bede om ontferming horen.
Dan zal zijn rijk zonder einde aanbreken.
Ik geloof in de heilige Geest,
geschenk van de Vader en de Zoon,
die ook mij bezielt om lief te hebben zonder grenzen.
Ik behoor tot de gemeenschap van Jezus’ volgelingen,
die uitstijgt boven de grenzen van tijd en ruimte.
Ik geloof dat ook ik door God onvoorwaardelijk aanvaard ben,
dat ik in het doopsel geboren ben tot een nieuw leven.
Ik geloof dat ook ik uiteindelijk, ooit, mag deelhebben
aan een volheid van leven
die alle begrip te boven gaat. Amen.

Paaslied : ik zeg het allen dat Hij leeft

EEN ZALIG PASEN !

Sinfonia uit het Paasoratorium van Bach

Goede Vrijdag

Wie Goede Vrijdag zegt, denkt aan Bach’s Matheuspassie. En ook al wordt die niet meer kerkelijk-liturgisch uitgevoerd zoals in de tijd van Bach, toch hoort deze muziek voor velen – in en buiten de kerk – wel degelijk bij hun eigen liturgie van de Goede Week. Omdat we nu echter allemaal ‘in ons kot’ moeten blijven is ook deze vorm van vieren niet meer mogelijk. Naar een CD luisteren, of TV kijken is toch iets anders. Om toch een beetje in de sfeer te komen, staan we vandaag stil bij een cruciale passage uit de Passie : De verloochening van Jezus door Petrus, gevolgd door de aria: Erbarme dich…. Een cruciale aria in de opbouw van de Mattheüspassie, en ook voor veel luisteraars een hoogtepunt, deze roep vanuit de diepte: een momentum.

Maar eerst een koraal. Christus die in het openingskoor reeds is aangeduid als het ‘lam Gods’ mag in het begin van de Passie ook nog even onze Herder zijn…

Erkenne mich, mein Hüter,
Mein Hirte, nimm mich an!
Von dir, Quell aller Güter,
Ist mir viel Guts getan.
Dein Mund hat mich gelabet
Mit Milch und süßer Kost,
Dein Geist hat mich begabet
Mit mancher Himmelslust.
Houd gij mij in uw hoede,
Gij die uw schapen telt,
o bron van al het goede,
waaruit mijn leven welt.
Gij die mijn ziel wilt laven
met liefelijke spijs
Gij overstelpt met gaven
tot in het paradijs
tekst Paul Gerhardt, vertaling J.W. Schulte Nordholt

Petrus

Matheüs schildert ons Jezus als een lucide Joodse rabbi, die tegelijk bijzonder gevoelig is voor het lot van de mensen die hij tegenkomt. Hij oordeelt niet, maar praat ook niets goed. Hij neemt de mensen zoals ze zijn, en probeert door zijn persoonlijke inzet ze verder (of opnieuw ) op weg te helpen. Eerst wordt hij op handen gedragen, maar hoe verder hij vordert op z’n weg, hoe groter de weerstand wordt. ‘The powers that be‘ worden nerveus van zoveel onvoorwaardelijke medemenselijkheid. Ze proberen hem het zwijgen op te leggen. En als hij voor zijn talloze volgers niet genoeg spektakel biedt nadat hij door hen als een held is ingehaald, begint zijn populariteit snel te tanen. Na de vele thumbs-up volgt de desinteresse. Straks gaan diezelfde duimen massaal naar beneden: Heden Hosanna, morgen kruisigt hem. Je leeft beter niet van de gunst van het publiek.
Maar dan is er nog Simon Petrus, de ‘rots’ had Jezus hem genoemd. Op hem kun je de kerk bouwen: Al zouden allen u verlaten, ik niet ! En hij meende het. Hij zou – als het moest – voor Jezus door het vuur gaan. Enfin, u kent het verhaal….

Petrus’ verloochening

Hij niet
hij zal de meester niet verlaten
op hem kan Jezus bouwen
zijn trouw gaat tot de dood

maar dan
een vrouwenstem
het wijzen van een vinger:
ook hij hoort bij die mens
daarbinnen voor de rechter

en al zijn overmoed is weg
hij krimpt ineen
tot de ontkenning van zichzelf
ontkenning van zijn liefde
en loochent dat hij Jezus kent

Zo diep de nacht
maar reeds ontwaakt de haan
en kraait en kraait –
zo diep in de nacht
maar Jezus zoekt zijn blik
en kijkt hem aan:
licht dat naar binnen slaat
waarin hij wordt gekend
zichzelve kent:
ten dode toe beschaamd
doch totterdood bemind

            Inge Lievaart, uit: Een stem van heel dichtbij (1990)

Erbarme dich

Inderdaad: Dan komt de aria ‘Erbarme dich’. Maar ik zet hier de handeling toch even stil. Hoe komt Bach erbij om die aria hier in te lassen? Mattheüs meldt enkel dat Petrus naar buiten ging en ‘bitter weende’. Er zijn enkel tranen, het duister van zijn ziel…
Alhoewel: lees nog eens het slot van het gedicht van Inge Lievaart dat ik hierboven citeerde.

diep is de nacht
maar Jezus zoekt zijn blik
en kijkt hem aan:
licht dat naar binnen slaat
waarin hij wordt gekend
zichzelve kent:
ten dode toe beschaamd
doch totterdood bemind

Die blik, waarover u enkel bij Lukas kunt lezen, is Petrus’ redding. Een wetende, maar tegelijk liefdevolle blik. Hij is doorzien, doorgrond, gekend, maar niet verworpen. Uit de diepte van zijn ziel, de profundis, welt nu de oerkreet op: Heer ontferm u, miserere mei, kyrie eleison.

De vrouwelijke ziel en de zingende viool

De ziel is vrouweljk en dus wordt de vertolking van deze hartekreet aan een vrouwenstem toevertrouwd (zoals in al Bach’s cantates). En dankzij de toonzetting van Bach krijgt de roep van Petrus een universele klank. De muziek vertolkt de pijn van de mens die op z’n grenzen stuit, die zichzelf tegenkomt, genadeloos. Die vastloopt, niet verder kan, maar toch verder moet, met z’n fouten, tekortkomingen, met z’n pijn. En het wonder geschiedt: terwijl de klacht wordt geuit, stroomt het mededogen en de vergeving je al van overzijde tegemoet. Je zingt de smart uit, en wordt al zingende vertroost… want, wanneer ons hart ons veroordeelt, God is meerder dan ons hart en Hij weet alle dingen! (1 Johannes 3,20). In onderstaand fragment (uit de documentaire over het leven van J.S. Bach) raakt J.E. Gardiner aan dit mysterie, als hij erop wijst dat het geheim van deze aria misschien wel hierin ligt, dat het ‘allemaal al gezegd is’ nog voordat de zangeres een noot heeft gezongen: Het is de viool die spreekt… (de video is ook ondertiteld in het Nederlands).

De tekst is zeer elementair, maar – gezien het overwicht van de muziek – eigenlijk niet essentieel. Je moet de oerkreet vanuit de diepte wel articuleren, anders is ze niet zingbaar, maar niet de woorden, maar het roepen zelf is waarom het gaat: Erbarme dich. De tekst is hier eigenlijk een klankband om die onuitsprekelijke klacht toch stem te geven. Wilt u de hele aria beluisteren, dan raad ik aan om niet naar een zanger (of zangeres) te kijken. maar om uw ogen dicht te doen, en te luisteren. Immers wie z’n lichamelijke ogen sluit, opent de ogen van zijn ziel, zodat de genade kan binnenstromen. Wat ook kan, als u toch uw ogen open wilt houden, is naar een schilderij kijken…

Dimitri Sinkovsky & La Voce Strumentale. De afbeelding is een détail van de ‘Kruisiging’ van (of naar) Rogier Van der Weyden (Prado-Madrid).

Memlinc

Ernstig en eenzaam staat
Tussen de holten van
Hemel en aarde de man
Die Gods woorden verstaat,

Antwoord weet, maar nog zwijgt
Zo lang de vraag nog klinkt,
Wacht tot de wereld verzinkt
En een ster de zon overstijgt.

Hong’rend naar eeuwigheid
Brak hij zijn leven als brood,
Proefde in dit voedsel de dood,
Deed afstand, en houdt zich bereid.

Luisterend, zwijgend, en in
Vroomheid bereid: voorwaar,
Dit is geen einde nog, maar
Een voorgoed begonnen begin.

Martinus Nijhoff uit Vormen (1924)

Epiloog

Genoeg gemediteerd. Het leven gaat door, ook in tijden van crisis. En wij mensen proberen er het beste van te maken. Dat klinkt plat maar dat hoeft het niet te zijn. Uit iets negatiefs, iets goeds proberen te maken, dat lijkt me niet het slechtste wat je in donkere tijden kunt doen. Zo ontstaan er in tijden van nationale ophokplicht ontroerende initiatieven om uit dat hok te ontsnappen en contact te zoeken met andere mensen. Shunske Sato, de eerste violist van het orkest van de Nederlandse Bachvereniging (die normaal nu een druk programma zou spelen) ontsnapt uit z’n kot door zichzelf in zes muzikanten op te splisen, elk in hun eigen hok, om samen ‘Erbarme dich’ te kunnen spelen. Muziek verbindt, over muren en grenzen heen. En God doet dat ook, zelfs over de grens van de dood heen. Moge zijn vrede, die alle verstand te boven gaat uw harten en zinnen bewaren van nu aan toe in eeuwigheid.

Tot de volgende bezinning/viering (Paasavond, Stille zaterdag om 21u00).

tekst: Dick Wursten
met dank aan Frans Van Looveren en Gretel Beyers (die mij attendeerden op respectievelijk Dimitri Sinkovksy en Shunske Sato)

Palmzondag

In het voorjaar van het jaar 30 (of daaromtrent) is rabbi Jezus populairder dan ooit, zeker nadat de mare is verspreid dat hij een dode zou hebben opgewekt. Het volk is er inmiddels zeker van: Dit is de nieuwe koning, de zoon van David, door God gestuurd om die vermaledijde Romeinen eens en voorgoed het land uit te drijven en het koninkrijk van Israel te herstellen. En als men in Jeruzalem verneemt, dat Jezus met zijn volgelingen op weg is naar de stad om het Paasfeest (Pascha, Pesach) te vieren, weet iedereen het plots zeker: Dit is het moment! Nu gaat het gebeuren, nu! Vanuit de stad stromen de mensen hem tegemoet. Ze zwaaien met palmtakken, spreiden hun mantels op de grond, rollen de rode loper voor hem uit, en zingen: ‘Hosanna, gezegend hij die komt in de Naam van de Heer, Hosanna in den hoge’ (Psalm 118).

Maar wonderlijk. Het voorwerp van al dit enthousiasme ondergaat het meer dan dat hij ervan geniet. Waarom staat hij niet recht, waarom steekt hij zijn handen niet in de hoogte? Waarom houdt hij geen vlammende toespraak? Waarom zwijgt hij? Het antwoord is simpel, en diep:

‘Wat zij toejuichen is de Christus niet;
en wat Christus is juichen zij niet toe’.

Lied van het offer

naar Johannes 12:20-25

Stad van jubel, stad van feest,
tempelstad, uw offers, uw gebeden,
onvolkomen zijn ze, zoek uw vrede
toch in Hem die heel maakt en geneest.

Stad vol poorten naar rondom,
waar uw zonen zingend binnenstromen,
zie uw priester tot zijn roeping komen,
zie het Lam dat naar het altaar komt.

Zij die vragen Hem te zien,
weten zij tot Wie zij zijn genaderd?
Al zijn heerlijkheid heeft Hij genadig
afgelegd, Hij is een knecht die dient.

Want indien het graan niet sterft
wordt het niet tot vrucht vermenigvuldigd.
Wie zijn leven vasthoudt is het schuldig:
Zie de mens, verdreven van Gods erf.

Stad, gegrond op heilgebod,
zie uw vloek wordt uit u weggezonden,
zie de priester zelf draagt al uw zonden,
Hij verbloedt en maakt u vol van God.

Inge Lievaart, Woord & Antwoord (Callenbach, Nijkerk, 1971)

Ik weet het, een gedicht moet je niet uitleggen. Dus dat ga ik ook niet doen. Maar onder de titel staat een tip: ‘naar Johannes 12:20-25’. Als je dat opzoekt, dan ben je getuige van een ontmoeting tussen Jezus en enkele buitenlandse volgers, uitlopend op een gesprek zoals je alleen in het Johannes-evangelie kunt vinden. Jezus bevestigt eerst dat zijn moment de gloire inderdaad is aangebroken, maar in de volgende zin wijst hij hen (ons) erop dat dat wel eens heel anders kan uitvallen dan zij verwachten. Hij zal verheerlijkt worden, zeker, maar niet door de macht te grijpen, maar door zijn leven uit handen te geven:

“Indien de graankorrel niet in de aarde valt en sterft,
blijft hij alleen met zichzelf, maar als hij sterft, draagt hij veel vrucht.
Wie zich aan zijn leven vastklampt, die zal het verliezen,
maar wie zijn leven loslaat, die behoudt het voor eeuwig.”

Op het toppunt van zijn macht, op Palmpasen, toen hij met een knip van z’n vinger een revolutie had kunnen veroorzaken, koos hij ervoor om zijn macht niet te gebruiken om de mensen te geven wat ze wilden, maar wat ze nodig hadden: niet door de zoveelste machtsgreep, maar door een ‘geste’ te doen, die nog niemand hem had voorgedaan: Hij zag af van de macht die hem werd aangeboden, omdat het geheim van het echte leven niet zit in wat je ‘grijpen kunt’ maar in wat je ‘geven durft’.

Moge de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, uw harten en uw zinnen bewaren in Christus Jezus, onze Heer.

Ds. Dick Wursten